Franz Schubert

Franz Schubert werd geboren in Himmelpfortgrund, een buitenwijk van Wenen, tegenwoordig Wien-Alsergrund, als zoon van een onderwijzer, die het met de zorg voor negentien kinderen uit twee huwelijken niet breed had. Toen Franzerl acht jaar was, begon zijn vader hem vioollessen te geven en zond hij hem voor zanglessen naar Michael Holzer. 

Franz zong zo mooi, dat hij werd aangenomen als 'Sängerknabe' bij de Weense hofkapel.

 

Nadat hij op 19 oktober 1814 zijn eerste lied 'Gretchen am Spinnrade' had geschreven, ontwikkelde zijn compositorische vermogen zich geheel in 1815, het vruchtbaarste jaar van zijn leven. Vier opera's, twee symfonieën, 144 liederen - waaronder 'Erlkönig' en 'Heidenröslein' -, twee Missen, een strijkkwartet en twee pianosonates, waren het resultaat.

 

Voor 1821 waren er slechts enkele liederen van Schubert gedrukt. In dat jaar zorgde zijn vriend Ignaz Sonnleithner ervoor dat er een uitgave gereed kwam van een serie van zeventien afleveringen met liederen van Schubert, tegen intekening. 'Erlkonig' verscheen als opus 1, zes jaar nadat het gecomponeerd was. De kritiek was weliswaar verdeeld, maar de opbrengst zorgde ervoor dat Schubert de ondanks zijn zuinige leefwijze gemaakte schulden kon afbetalen.

 

Op 4 november 1828 ging Schubert naar Simon Sechter om zich in te laten schrijven als leerling in streng contrapunt, al voelde hij zich ziek. Een week later bleek hij tyfus te hebben, waaraan hij na een zware doodstrijd op 31-jarige leeftijd overleed. Grillparzer, een bekend Oostenrijks dichter uit die tijd, stelde zijn grafschrift op: De dood begroef hier een rijk bezit, doch nog schoner verwachtingen.

 

Schubert werd vlak bij het ​​graf van Ludwig van Beethoven begraven, op de begraafplaats van de Weense voorstad Währing. In 1872 is in het Stadtpark in Wenen een monument voor Schubert opgericht, ontworpen door de Oostenrijkse beeldhouwer Carl Kundmann (1838–1919).

(c) klsvrt