Felix Mendelssohn Bartholdy

Mendelssohn werd geboren in een rijke Joodse familie, die op 21 maart 1816 door dominee Johann Jakob Stegemann van de Berlijnse gereformeerde Jeruzalem gemeente in een huisdoop protestants gedoopt werden. Ook Felix Mendelssohn werd in 1816 protestants gedoopt maar werd desondanks door velen als joods gezien, omdat hij vanuit een oorspronkelijk Joods gezin afkomstig was.

Zijn vader Abraham Mendelssohn was bankier en zijn grootvader was de Joods-Duitse filosoof Moses Mendelssohn. In 1812 verhuisde de familie naar Berlijn. Op zesjarige leeftijd kreeg hij pianoles van zijn moeder en op zevenjarige leeftijd van Marie Bigot in Parijs. In 1817, na in Berlijn te zijn teruggekeerd, kreeg hij les in compositie van Carl Friedrich Zelter, wiens vriend Goethe hij in 1821 in Weimar bezocht.

 

Daarvoor, in 1818, op negenjarige leeftijd, trad hij op in een openbaar kamerconcert en voordat hij dertien was had hij al verschillende composities op zijn naam, waaronder het pianokwartet opus 1. Zijn vader was rijk genoeg om hem een privéorkest te laten dirigeren. Hij componeerde zijn eerste symfonie op vijftienjarige leeftijd.

 

In 1827 schreef hij zich in aan de universiteit van Berlijn, om daar de geschiedenis- en filosofiecolleges van Hegel te volgen. Hij kreeg pianoles van Ignaz Moscheles tijdens een bezoek. In 1825 voltooide hij de korte opera Die Hochzeit des Camacho, die op kosten van de familie in 1827 werd uitgevoerd. Op zijn zeventiende componeerde hij de ouverture voor Een midzomernachtsdroom van Shakespeare (de rest van de toneelmuziek voltooide hij in 1842).

 

Hij maakte veel reizen, onder andere naar Parijs en Italië. In Rome trok hij op met Hector Berlioz, die daar verbleef als winnaar van de Prix de Rome.

 

In 1835 werd Mendelssohn de eerste muziekdirecteur, die tevens Kapellmeister van het Gewandhausorchester in Leipzig was. Voor die tijd waren deze twee functies gescheiden.

 

Tijdens een bezoek aan Frankfurt ontmoette hij Cécile Jeanrenaud, een nakomeling van een Franse hugenotenfamilie, met wie hij op 28 maart 1837 in het huwelijk trad. In de zomer van 1836 was Mendelssohn in zijn eentje naar Scheveningen gereisd om goed te overdenken of hij deze stap wel wilde nemen. Hieraan is nog een aardig detail verbonden: Mendelssohn maakte in Den Haag een mooie kleurentekening van de Kleine Groenmarkt; dit werk behoort tegenwoordig tot de collectie Radcliffe Science Library Oxford. Mendelssohn en zijn vrouw kregen samen vijf kinderen. In september van hetzelfde jaar dirigeerde hij zijn oratorium Paulus op het Birmingham Festival.

 

Mendelssohns twee oratoria Paulus en Elias waren beïnvloed door de muziek van Johann Sebastian Bach, die in vergetelheid was geraakt en die Mendelssohn weer onder de aandacht van het publiek heeft gebracht. In 1829 gaf Mendelssohn met groot succes een uitvoering van de Matthäuspassion, de eerste uitvoering van dit werk sinds het overlijden van Bach (1750).

 

Hij vertrok in 1841 naar Berlijn, waar hij benoemd was tot directeur van de muziekafdeling van de kunstacademie. Hier componeerde hij toneelmuziek voor stukken in het Grieks, Engels en Frans.

 

In 1842 werd Mendelssohn als een der eersten opgenomen in de exclusieve Orde "Pour le Mérite".

 

Eind 1842 keerde hij naar Leipzig terug en richtte daar het conservatorium op. Hij gaf les in piano en compositie. Hij had echter een slechte gezondheid en zijn bezoek aan het Birmingham Festival op 26 augustus 1846 was zijn op één na laatste bezoek aan Engeland. Na zijn laatste bezoek aan dat land in de lente van 1847 was hij erg gedeprimeerd door het overlijden van zijn zuster Fanny Hensel.

 

Hij ging naar Zwitserland, maar was te ziek om te werken en keerde weer terug naar Leipzig in september 1847 waar hij, op 4 november, slechts achtendertig jaar oud, zwaar overwerkt en geheel uitgeput, na een hersenbloeding overleed.

 

De nationaalsocialisten verboden Mendelssohns werk dat zij als "Joods", en daarom verwerpelijk, beschouwden.

(c) klsvrt